Paasconferentiethema: DE OMVORMINGSKRACHT VAN DE LERAAR

De mens is meer dan een wezen met een lichamelijkheid en een ziel. Het antroposofisch mensbeeld gaat uit van de drieledigheid lichaam, ziel en geest. Dit is een essentieel gegeven binnen de steinerpedagogie. De leraar moet immers dagelijks het geestelijke element binnendragen in zijn lesgebeuren.

In ‘Geestelijke grondslagen voor de opvoedkunst’ formuleert Rudolf Steiner de noodzakelijkheid om tot ware kennis te komen als volgt: ‘Het is het tragische van onze materialistisch georiënteerde tijd dat ze, uiterlijk gezien, vele fysieke gegevens blootlegt maar dan wel ontdaan van hun samenhang. Het bewustzijn van onze tijd richt de blik geheel op het fysieke maar juist door haar eenzijdige oriëntatie kan de wetenschap de betekenis van het materiële niet ontrafelen. Wie het stoffelijke onderzoekt zonder daarbij het geestelijke te betrekken, tast rond in een donkere kamer. Wie de wetenschap van de geest betrekt bij zijn onderzoek zal kunnen vaststellen dat de geest in elke afzonderlijke activiteit te bespeuren is. Pas wanneer men in het scheppende en in datgene wat de stof voortbrengt de geest herkent, ontwikkelt men ware kennis. Noch de mysticus die uitsluitend de abstracte geest aanbidt, noch de fysicus die uitsluitend de materie erkent, kunnen tot ware kennis komen’.

In de opleidingscursus ‘Alegemene Menskunde’ geeft Steiner aan dat er een groot verschil merkbaar is tussen de ene en de andere leraar die de klas binnenstapt. Dat verschil is groot en ligt er niet in dat de ene er handiger in is de uiterlijke pedagogische vaardigheden aan te brengen dan de andere. Voor Steiner ontstaat het voornaamste verschil dat in de lessen doorwerkt vanuit de richting die de gedachten van de leraar gedurende zijn hele leven hebben genomen en die hij meebrengt wanneer hij de klas binnenstapt. Een leraar die zich bezighoudt met gedachten over de opgroeiende mens heeft een heel andere uitwerking op de leerlingen dan een leraar die van dit alles niets weet en zijn gedachten daar nooit op richt.

In drie opeenvolgende voordrachten wordt de bijzondere taak van de leraar belicht vanuit de drie geledingen van de mens. Wat een wonder telkens wanneer een mens in de kosmos besluit om terug naar de aarde te komen en zich weet te verbinden met de aardse werkelijkheid! Geen wezen heeft zolang tijd nodig als een mensenkind om zich met zijn levenslot en karma in te voegen in de tegemoetkomende dagelijkse realiteiten. Een groot deel van onze pedagogie bestaat erin om het kind aardeburger te laten worden en het de werktuigen mee te geven opdat het zich een unieke en dienstbare plaats in de samenleving kan verwerven.

Verdere achtergrond

Elk incarnerend kind zal in de loop van zijn ontwikkeling die fysieke krachten die hij via de erfelijkheid meegekregen heeft trachten te verbinden met zijn individuele, geestelijke kern. Tussen de erfelijkheid en de individualiteit bevindt zich ook de factor ‘omgeving’. Vele zaken in het leven hangen immers ook samen met datgene wat vanuit die omgeving wordt aangereikt via de ouders en opvoeders. De antroposofie is een spirituele wetenschap die uitgaat van een drieledigheid en niet gebaseerd is op het klassieke dualisme lichaam ↔ ziel. 

In de ontwikkelingspedagogie komt het er op aan de lichamelijkheid en de individualiteit op elkaar af te stemmen. Het beeld is bekend van de piano en de pianist: zonder een degelijke piano kan een virtuoze pianist niets zinvols tonen, maar evenmin kan een onbekwame pianist schitteren op een meesterlijk vervaardigde piano.

Nog sprekender is het beeld van de koets met het paard en de koetsier wat het samenspel laat zien van de drie aspecten van het mens-zijn: lichaam, ziel en geest:

De koets kunnen we bezien als het beeld van onze fysieke lichamelijkheid. Ze kan groot en sterk zijn, mooi of lelijk of vol gaten en blutsen. De staat van de koets is belangrijk voor de rit die men ermee wil ondernemen. Het onderhoud aan de koets is ook van groot belang. Met welke zorgzaamheid wordt ze na een zware rit gereinigd, opgepoetst, voorzien van een nieuw laagje verf of vernis? Wordt de koets ook geregeld gesmeerd en waar nodig hersteld?

Het paard dat deze koets zal trekken moet (daad)krachtig en temperamentvol zijn, hindernissen goed kunnen inschatten, stressbestendig zijn, … Het moet de juiste zielenstemming hebben.

Maar de koetsier moet tegenwoordig van geest zijn, moet weten wat het doel is van de rit, moet plotse beslissingen kunnen nemen, moet mankementen aan de koets kunnen compenseren, moet de grillige bewegingen van het paard kunnen beheersen.

Zolang het gaat om een rustige, vlakke weg zonder hindernissen en zolang het paard rustig en zonder angst kan trekken, is er geen enkel probleem en moet de koetsier zelden ingrijpen. Maar hij is van des te meer belang zodra het lot toeslaat, de koetsier moet dan soms voor een andere weg kiezen, inventief zijn! 

Het is aan de pedagogen om de kinderen en jongeren onuitgesproken te laten getuigen van een andere, niet tastbare, werkelijkheid die enkel kan betreden worden vanuit een persoonlijk en  vrij motief en na volgehouden innerlijke scholing. De kinderen en jongeren ervaren dit aanvankelijk aan hun interesseveld en in hun sluimerende maar steeds meer voelbare idealen en daarna mogelijk ook vanuit hun ontwakende  imaginaties, inspiraties en intuïties. Hierbij is de ontmoeting met authentieke en omhoog strevende  leraren en ouders van goudwaarde!

Rudolf Steiner wees er ons meermaals op dat het er niet om gaat materialist óf spiritualist te worden maar om de geest ín de materie en de materie ín de geest te ervaren. De antroposofie als mens- en wereldbeeld is niet gericht op het of-of principe, maar streeft naar het verbinden van alle aardse en geestelijke levensfacetten. Daarbij worden we opgeroepen om steeds opnieuw het vruchtbare midden te zoeken tussen de veelheid aan polariteiten.

In drie opeenvolgende dagen worden we door de voordrachtgevers in deze thematiek meegenomen.