Met deze vierde Paasconferentie organiseren wij een driedaagse voor mensen die werkzaam zijn in een steinerschool. Werkt u niet in een steinerschool maar heeft u interesse? Dan bent u ook van harte welkom!

Binnen twee jaar is de impuls tot vernieuwing van het onderwijs, de zogenaamde 'opvoedkunst', honderd jaar oud. Dat betekent dat er een tijd van bezinning komt. Honderd jaar…., is het steineronderwijs dan nog wel actueel? Kinderen zijn immers nu heel anders dan vroeger. Moeten we het dan niet anders gaan doen?

Dit soort vragen worden steeds meer gesteld. En terecht. Want we voelen allen dat we ons moeten bezinnen over de fundamenten en moeten nadenken over de identiteit van deze opvoedkunst. Wat willen we eigenlijk, wat beogen wij?

Het volgende thema dient zich in dit kader aan:

Kiemen voor de toekomst

De polariteit denken ↔ willen ligt onder vuur! Het hoort bij de huidige tijdsgeest dat de mens niet meer de gelegenheid krijgt om zijn eigen impulsen waar te maken. In de inleiding van de cursus ‘Algemene menskunde’ draagt Rudolf Steiner de nieuwe schoolbeweging en haar pedagogie op in naam van de geest die de mensen wil leiden naar een nieuw tijdperk. Over welke geest het hier gaat, heeft Steiner nooit gezegd, maar in zijn concrete werk in de school heeft hij wel vernoemd dat het hier gaat om de Christus zelf. Onze tijd verhindert ons om de eigen ik-intenties waar te maken. Onze vrije daden krijgen voortdurend weerstand. Maar een Chinees spreekwoord zegt: “ Vliegeren kan je alleen met tegenwind!”

Wij gaan ervan uit dat wij in ons denken vrij zijn, maar vanuit de antroposofie weten we dat de werkelijkheid meestal omgekeerd is aan wat zich schijnbaar toont. Het denken is immers helemaal niet vrij, het is universeel. We zijn het meest individueel in ons handelen! Niet in de pedagogische kennis maar in het pedagogisch kunstenaar zijn, tonen we ons als individu. Het is de wil die vrij is en dus kan opgevoed worden. Het verstand daarentegen is niet vrij en is dus geen direct voorwerp van opvoeding. Het kan enkel gewekt worden (of niet gewekt worden).

Wij moeten als leraren tijdcomponisten worden. De lestijden mogen nooit ‘opgebruikt’ worden (efficiëntie, rechtlijnig op het doel af), maar moeten kwalitatief ingezet worden. Eerst moet er een ouverture zijn (waarin teruggeblikt wordt op de vorige les), daarna moet de spanning opgevoerd worden naar een hoogtepunt, vervolgens moet er een fase komen van bezinken, oefenen en tot rust komen om dan de les af te sluiten met een samengebald slotakkoord. Een leraar moet in die zin een boetseerder van de tijd worden. Hij moet didactische empathie bezitten, met de ziel onderwijzen, innerlijk steeds present zijn, elke les als iets nieuws zien (routine verbannen) en vakcompetent zijn. Pas dan leggen we vruchtbare kiemen in de ziel van de kinderen. Kiemen die ooit hoopvol zullen ontluiken en vernieuwing zullen brengen in de wereld.